LEIDERSCHAP is UIT!

’t Is een beetje voorbarig misschien, maar ik durf het wel.

Te zeggen dat leiderschap al weer uit is. Na een decennium van charismatisch, authentiek en vooral inspirerend leiderschap als dominant paradigma voor leidinggevenden mogen we weer gewoon doen waar we goed in zijn. De baas zijn.

Zoals met alles is er een dwingende slingerbeweging in managementland. Eerst management by walking around (in gedachten zei ik altijd ‘fooling around’), dan balanced scorecard en toen moest het allemaal weer softer, menselijker, meer met draagvlak en ‘distributed leadership’.

En nu, na al dat werken met de menselijke maat en het werken aan reflectieve praktijken, nu gaan we, zeker in de not-for-profit hoek, te maken krijgen met het implementeren van transities. Veranderingen waarbij meer met minder geld gedaan moet worden en waar, daar kun je gif op innemen, niet altijd iedereen blij mee is. Natuurlijk beginnen we weer waar we gebleven waren, met draagvlak-bijeenkomsten die, blijkt uit de literatuur, vaak alleen maar weerstand oogsten. En dan, medio 2015 schat ik, dan hebben organisaties en teams het meest behoefte aan goede managers. Die, ’t liefst met een lichte tred en optimistisch karakter, zorgen voor soepele bedrijfsprocessen, snelle besluitvorming en met Kleine Ego’s.

Want dat hebben we tenminste in de leiderschapscursussen en trainingen dan weer wel,  geleerd: klein ego’s zijn beter.

Succes!

Ik? Provocatief?

Ik heb mijn eerste schoolrapport nog, dat van de 1e klas van de doctor Nawijnschool in Kampen. Geen school waar ik warme herinneringen aan bewaar. Donker, grote lokalen met vooraan rechts, een oliekachel waar de kinderjasjes die ’s ochtends onderweg kletsnat geregend waren, rondom heen gehangen werden. Dat gaf een muffe lucht die ik me nog goed terug voor de geest kan halen. Echt, geen fijne school. De juf van de eerste klas hield er een – waarschijnlijk  zelfs voor die tijd- hardnekkig onderwijskundig principes op na, namelijk dat aandacht en concentratie bij bevel afgedwongen kunnen worden. Niet fijn, dat zei ik al.

Op mijn eerste rapport staan een aantal cijfers voor de vakken waarin les gegeven werd. Geen hoogvlieger die kleine Betsy, gewoon een middenmoter. Maar er is bovenaan de linker bladzijde ook een blokje ‘gedrag’. De juf gaf daar door middel van enkele trefwoorden aan hoe zij het gedrag van de leerlingen beoordeelde in het licht van de schooltaken. Bij mij staat daar: ‘B. praat graag’.

Hoewel ik het niet kan bewijzen, staat voor mij vast dat mijn herinnering aan die periode, dat jaar en misschien zelf die muffige klas met die nare juf, mij heeft gesterkt in wat ik nu ben en in wat ik nu doe.

Nog steeds praat ik graag, heel graag. Voor groepjes, zaaltjes, groepen, zalen. Maar ook aan de keukentafel of bij andere intieme debatten waar je tijdens het praten ook mag eten en gewoon teveel wijn mag drinken. Ik geniet er van als mijn woorden aankomen als beelden. Dat je gewoon kunt zien aan de mensen tegenover je dat iets ‘landt’. Soms zelfs kan ik zien dat ze iets nooit meer gaan vergeten, zoals sommige beelden die ik gebruik bij de presentaties over het kinderbrein.

 

Er zat al jong een kind in mij dat er uit wilde. Ik spreek haar soms nog; niet altijd is ze bereid oogcontact te maken. Maar ze heeft me verder gebracht.

En nooit, nooit laat ik me meer de mond snoeren door een juf met een liniaaltje, hoe dreigend ook in de lucht boven mijn handen gehouden.

Dan weten jullie hoe dat zit, als je me soms een tikkie provocatief vindt.