Tag Archives: primair onderwijs

Schermafbeelding 2017-08-13 om 13.15.04

Het verwende ouders-syndroom

Of: hoe teveel-eisende ouders de sociale functie van scholen in de weg staan.

Bestaat het VOS?

Was onderwijs vroeger nog voorbehouden aan de rijkere klasse, tegenwoordig gaan in ons land vrijwel alle kinderen naar school. Sterker nog, móeten naar school. Daar, is de doelstelling, worden ze voorbereid op ‘later’. Voorbereid op de (via het voortgezet onderwijs) arbeidsmarkt. Voorbereid om actieve en zo mogelijk succesvolle deelnemers aan het sociale verkeer te worden en zichzelf te kunnen redden (Boekholt, 2008; CNV, 14-7-2017). Onderwijs geeft kansen!

Vooral kinderen die opgroeien in een gezin met hoger opgeleide ouders blijken die kansen overigens wat royaler te krijgen dan kinderen van laagopgeleide ouders. En kinderen die opgroeien in een gezin met chronische armoede en/of een schraal opvoedings- en leerklimaat thuis, die lijden aan een kansarmoede die ze waarschijnlijk de rest van hun leven parten zal spelen (Lipina & Colombo, 2009)(Whiteman, 2013).

Onderwijs geeft dus kansen, maar het ‘nest’ waarin kinderen opgroeien doet er veel toe. Misschien zelf meer dan het onderwijs.

Hoe gaat dat, die invloed van ouders op de school, op het onderwijs van hun kinderen? Ze houden de schoolresultaten bij en helpen kinderen met hun werkstukken. Ze beantwoorden vragen van hun kinderen en oefenen met hen de proefwerken. Ze stellen op school ook meer vragen, gaan discussies aan en leggen bij de scholen hun verwachtingen neer dat ‘alles eruit wordt gehaald wat er in zit’. Ze komen op voor de rechten (dan wel; vermeende of verbeeldde rechten) van hun eigen specifieke kind. Ze betwisten resultaten en mogelijke verklaringen van eventuele tegenvallers daarin.

Ze worden ‘mondige ouders’ genoemd en het wordt steeds erger…

Bij een peiling onder schoolleiders, van afgelopen 14 juli door het CNV, blijkt dat: 87% merkt dat ouders steeds mondiger en veeleisender worden (CNV, 14-7-2017).

En de leerkrachten hebben er het meeste last van, zeggen de schoolleiders, hoewel zij zichzelf een goede 2e plaats toekennen.

Mondigheid zou je zeggen, dat is toch niks mis mee? Je moet toch voor je jezelf opkomen? En zijn we niet allemaal tegenwoordig een beetje doorgeschoten qua eigenbelang? De keerzijde van de individualisering is nou eenmaal dat ‘ikke’ voorgaat. En bovendien, hebben de scholen niet nog altijd meer macht dan de ouders of de kinderen?

Er zijn volgens mij drie goede redenen om ons toch een beetje bezorgd te maken over het verwende ouders-syndroom, mocht het inderdaad bestaan.

Eerste: ‘verwend’ zijn wil zeggen dat iemand de redelijkheid en het fatsoen uit het oog kan verliezen. Dat het met dwingend gedrag de grenzen oprekt voor het eigen voordeel en mogelijk in het nadeel van anderen.

Twee: opvoedkundig is het helemaal niet zo sterk als kinderen merken dat hun ouders veeleisend zijn naar de school en de leerkracht. Dat ze briefjes meegeven om slechte schoolresultaten te verzachten bijvoorbeeld. Omgaan met frustraties en leren incasseren, het hoort er gewoon bij in het leven.

Drie: leerkrachten en schoolleiders worden door teveel-eisende ouders onder druk gezet en voelen zich onredelijk en soms ook onaangenaam bejegend. Ze verliezen aan autoriteit door ouders die lijken neer te kijken op hun expertise, hun belangrijke rol in het leven van ieder kind en hun eigen verantwoordelijkheid. Voor alle kinderen.

Het is in de ontwikkeling van de mensheid helemaal nog niet zo lang geleden dan families in grote groepen samenleefden en dat de opvoeding van de kinderen aan de hele groep werd overgelaten (in veel culturen gaat het nog steeds zo trouwens). Onze hersenen zijn daar ook heel geschikt voor, voor dit ‘extended-family’ leven. In ons ‘oerbrein’ is goed geborgd dat we signalen van kinderen, ook als ze niet van onszelf zijn, oppakken om voor ze te zorgen en te beschermen (Giphart, 2016; Swaab, 2016). En met ons slimme brein zijn we in staat om complexe sociale verbanden en relaties aan te kunnen. We zijn echt groepsdieren. We helpen en we corrigeren elkaar. We leren daar erg goed van.

Het is een interessante paradox dat opvoeders met een sterk individualistische aanpak, een aanpak waarin ze het beste voor hun kinderen willen bevechten, denken te kunnen bereiken dat onze kinderen zich later beter sociaal kunnen redden.

Ik hoorde een paar weken geleden van een lastige casus op een school, van een leerkracht. Het ging over een wat druk, moeilijk lerend jongetje in de groep die gelukkig erg goed reageerde op de steunende aanpak. Geduld en ruimte was wat ze hem wilden bieden en dat leek te werken. En nu hadden enkele ouders de koppen bij elkaar gestoken en bij de school bedongen dat dit jongetje van school zou gaan naar ‘speciaal onderwijs’, want hun kinderen leden onder de aandacht die dit kind nodig had. Het ging ten koste van hen. Wat moet je dan, vroeg die leerkracht mij.

Ik denk dat ze bestaan, ouders die leiden aan het ‘verwende ouders-syndroom’.

 

 

 

 

Boekholt, P. T. F. M. B. d., E.P. (2008). Geschiedenis van de school in Nederland vanaf de middeleeuwen tot aan de huidige tijd. (Ebook edition ed.). Assen/Maastricht: van Gorcum.

CNV, v. (Producer). (14-7-2017). Flitspeiling mondige ouders. [online enquete schoolleiders]

Lipina, S. J., & Colombo, J. A. (2009). Poverty and brain development during childhood: An approach from cognitive psychology and neuroscience: American Psychological Association.

Whiteman, H. (2013). Childhood poverty ‘affects brain development’, 3. Retrieved from Medical News Today website:

gender

Praten met jongens

Jongens zijn minder praterig ingesteld . Ze leren het wat later, gebruiken minder woorden, minder lange zinnen ook. Maar er is meer: ze gebruiken bij het praten ook andere gebieden in de hersenen. Hun taalbegrip is concreter. (Eliot 2012). Praten over gevoel gaat ze daardoor waarschijnlijk minder makkelijk af dan meisjes (Gurian 2010). Voeg daarbij dat veel jongens iets minder goed horen (Sax 2007) dan meisjes en je begrijpt waarom in een groep met jongens en meisjes de jongens -verbaal althans- niet de boventoon voeren. De uitdaging is volgens mij, om jongens met een minder verbale communicatie dan meisjes, toch lekker mee te laten praten.

Praten is erg belangrijk. Als je zelf een week keelontsteking hebt, merk je pas hoeveel er gepraat wordt. En hoe slecht de samenleving is ingesteld op mensen die verbaal minder vaardig zijn. Praten is belangrijk: je moet kunnen zeggen wat je wilt, wat je denkt, wat je voelt. En vooral dat laatste, het verwoorden van wat er binnen in je speelt, kan voor een jongen moeilijk zijn (Woltring 2003). Hij voelt zich ongemakkelijk, maar kan ook niet ter plekke en op hetzelfde moment antwoorden op de vraag wat hij voelt. Bij een jongen moet er een breinverbinding worden gemaakt tussen ervaring en taalgebied, dat vraagt even tijd.

Bij meisjes gaat dat iets makkelijker. In het brein van meisje van veertien gebeurt er dit: in de puberteit verschuift het gebied waar emoties zitten van het binnenbrein via ingewikkelde verbindingen naar de buitenkant, naar de prefrontale cortex en de pariëtale kwab. Ze zijn zich daardoor makkelijker van emoties bewust en kunnen erover praten. Bij jongens gebeurt dat veel later en dan ook nog veel minder. Emoties blijven in het binnenbrein, de amygdala. Daar zitten ze te ver van het bewustzijn en de taalfuncties om er makkelijk bij te kunnen. De verwerkingstijd van boodschappen is daardoor langer of lastiger.

Jongens praten misschien minder en minder graag. Dat is op zichzelf geen groot probleem. Ook met hun andere vaardigheden kunnen jongens zich prima handhaven. Voor opvoeders en onderwijzers is het wel nuttig om hun taalvaardigheid in de gaten te houden en die te stimuleren, de samenleving (denk aan de 21th century skills) vraagt er om. Een goede taalvaardigheid heb je nodig om je te kunnen ontplooien.

Tegelijk moeten we ook accepteren, zeker met het heel hoge ‘feminiene gehalte’ in kinderopvang en onderwijs dat de taalvaardigheid van jongens niet altijd tot uiting komt op een voor vrouwen bekend en vertrouwde manier.

We gaan daarom wat mijn betreft  niet streven naar meer pratende jongens. Ook het ‘praten over je gevoel’ gaan we niet bij jongens forceren. Het zet ze nodeloos onder druk.

Maar het is wel van groot belang dat er gedurende de hele periode van breinontwikkeling (en dat is bij jongens tot de leeftijd van ongeveer 23 jaar!) tegen en met jongens gepraat wordt. Door een stimulerende omgeving zullen ze zich, ook al is het later dan meisjes, prima ontwikkelen op taalgebied. Verder kunnen we jongens stimuleren door te matchen en te stretchen.

a          Matchen is een soort mannelijke taalstimulering die jongens goed kunnen gebruiken. We trekken niet aan ze, maar letten goed op de manier waarop we met de jongens communiceren. Is die communicatie stimulerend? Uitnodigend om mee te doen? Beeldend? En we laten jongens merken dat je ook kunt communiceren zonder er voortdurend woorden bij te gebruiken. En dat dit okay is.

b Stretchen is meer een soort vrouwelijke taalstimulering. We stimuleren jongens om meer dan ze eigenlijk geneigd zijn, om verbaal te communiceren. Stretchen doe je door je eigen taal- en spraakgebruik ten dienste te stellen van jongens. Je probeert zaken duidelijk uit te leggen, ook al wordt daar niet om gevraagd.

Ook al is het misschien niet altijd makkelijk voor de overwegend vrouwelijke leerkrachten, we  kunnen dus de jongen die niet zo graag over zijn gevoel praat -en die sowieso misschien wel liever niet zoveel praat- helpen door de gendereigenheid te accepteren en tegelijk ook genderspecifiek de taalontwikkeling te stimuleren.

 

Noot: in het najaar verschijnt mijn boek over genderverschillen en wat ze betekenen in kinderopvang en het onderwijs: Jongensbrein/Meisjesbrein #JBMB.

 

Bronnen

Eliot, L. (2012). Pink brain, blue brain: How small differences grow into troublesome gaps-and what we can do about it, Oneworld Publications.

Gurian, M. (2010). Boys and girls learn differently! A guide for teachers and parents, John Wiley & Sons.

Sax, L. (2007). Why Gender Matters: What Parents and Teachers Need to Know about the Emerging Science of Sex Differe nces, Harmony.

Woltring, L. (2003). “Jongenspedagogiek? Opvoeden met gevoel voor sekseverschillen.” Pedagogiek 23(3): 175-181.

IMG_4840

Het jaar van het kleuterjongetje

Of: hoe de school reageert met handelingsverlegenheid op het gedrag van jonge kinderen (en vooral de jongetjes).

Volkomen normaal gedrag van jonge kinderen en vooral van jonge jongens kan in een opbrengstgerichte onderwijsbenadering leiden tot gespannenheid. Jonge kinderen en vooral jonge jongens passen zich nog niet voldoende aan aan de eisen en verwachtingen die de school hen stelt. Hun beweeglijkheid, ongeconcentreerdheid, dromerigheid…Ze zijn nog zo speels, nog zo weinig gericht op hun taakjes.

De ontwikkeling van het kinderbrein duurt eigenlijk nogal lang. Het brein doet er drieëntwintig jaar over om het hele potentieel te realiseren. Bij de meisjes. Bij de jongens duurt het ongeveer vijfentwintig jaar. Ze nemen gewoon wat meer tijd. En dat tempoverschil is al bij de geboorte te zien. Dat is overigens de reden waarom te vroeg geboren jongetjes minder vaak overleven dan premature meisjes.

Meisjes zijn de jongens eigenlijk structureel net iets te vlot af qua ontwikkeling. Op vijfjarige leeftijd kan dat betekenen dat een ‘vlot’ meisje een taalvoorsprong heeft van wel twee jaar op een wat minder taalbegaafd jongetje.

Bij jonge kinderen in het algemeen zie je vaak tempoverschillen. Want hoewel de ontwikkeling van het brein een noodzakelijke volgorde kent, kunnen de individuele verschillen groot zijn. Je kunt je dat zo voorstellen: de breinontwikkeling kent vaste ‘fasen’, maar niet elk kind verblijft even lang in een bepaalde fase. De genetische aanleg en het temperament speelt daarbij natuurlijk ook een rol.

De fasen waarin de buitenkant van de hersenen zich functioneel gaan ontwikkelen (het breinmateriaal is wel al aangemaakt, maar functioneert nog niet of amper) zijn late fasen: pas na het ongeveer zevende jaar begint dat. Sommige fasen treden zelfs pas na het twintigste jaar op. Jonge kinderen kunnen daarom nog niet beschikken over de complexe en cognitieve breinfuncties zoals wij dat kunnen. Ze hebben een eigen manier van breinleren. Veelal impliciet en onbewust (lees meer daarover in Peuteren en Kleuteren)

Het onderwijs, dat wil zeggen het basisonderwijs, begint weliswaar meer belangstelling te krijgen voor het breinleren van kleuters, maar dat is een ontwikkeling ‘tegen de wind in’. In de praktijk van de basisscholen is de kleuterafdeling namelijk een jarenlang een vergeten hoekje geweest. Het ‘speelhoekje’ zullen we maar zeggen.

Om meerdere –en naar mij stellige overtuiging vooral ook strategische- redenen is het onderwijs nu meer in het jonge kind geïnteresseerd. Op beleids- en bestuurlijk niveau wordt bepleit dat we eerder moeten beginnen met onderwijs. Vooral om kinderen die in kansarmoede opgroeien te behoeden van achterstanden. Maar ja, onderwijs aan jonge kinderen, hoe doe je dat? Ze zitten niet stil. Ze kunnen nog geen taakjes doen en ze rommelen maar wat aan. Je hangt een letterbord op maar deskundigen zeggen dat dit niet de manier is waarop jonge kinderen taal leren. Je moet ze laten spelen, zeggen de experts, maar leren ze dan eigenlijk wel wat?

Er is behoefte aan een jongekind methodiek. Een jonge kind visie. Een nieuw peuter- en kleuteraanbod. En er is behoefte aan ondersteuning en diagnostiek bij de kleuters. Want de ambitie om meer resultaten te halen in de voor- en vroegschoolse periode, roept de vraag op wat nou een haalbaar resultaat ìs bij gewone kleuters. En dus ook wanneer schoolse vorderingen ‘abnormaal’ of zorgwekkend zijn.

Het primair onderwijs is bezig de lat hoger te leggen voor kinderen van vier, vijf en zes jaar, maar weet volgens mij eigenlijk zelf niet goed hoe ze kleuters kunnen helpen die lat te halen. Die handelingsverlegenheid wordt op het gedrag van kinderen geprojecteerd waardoor normaal leeftijdsconform kleutergedrag verwordt tot probleemgedrag. Vooral de jongetjes worden daarmee geconfronteerd, vrees ik.

Op verschillende dimensies verschilt het gedrag van jongens van dat van de meisjes. Ik heb daarover met Lauk Woltring een artikel geschreven (Betsy van de Grift, Lauk Woltring, 2013/3. Jongens en Meisjes, zoek de verschillen?!. van Gorcum).

Voor zover je kunt spreken van typisch jongensgedrag, zal dat vaak te maken hebben met de dimensies ‘beweeglijkheid, taalgebruik, volgzaamheid en risico’s’. De wat onrustige jongen, die niet houdt van lezen en die minder goed luistert (trouwens ook fysiek minder goed luistert) en graag zelf bewegend speelt….die jongen bestaat echt en dat merk je echt wel in de schoolse omgeving.

In de kleuterbouw al zal gemiddeld 15% (de ‘postcode’ is van invloed) van de kinderen opvallen bij de jongekindleerkracht omdat het niet helemaal mee lijkt te kunnen komen in het programma. De meesten daarvan zijn jongetjes. Ze krijgen extra aandacht of worden een bespreekgeval. Of ze worden verwezen naar het SBO om daar naar de norm van groep 3 toe te werken (ik jok het niet, dit komt voor).

Maar uit onderzoek blijkt dat veel, heel veel van het op kleuterleeftijd gesignaleerde ‘probleemgedrag’ in de klas leeftijdsconform is. Dat gedrag dooft vanzelf uit op zes à zevenjarige leeftijd.

Maar bovendien is het dus als het om jongetjes gaat ook nog eens genderconform…

In de afgelopen jaren heb ik verschillende thema’s op het gebied van opvoeding en onderwijs aan het jonge kind onderzocht en er over gepubliceerd (Kinderkoppie, Peuteren en Kleuteren en De Lastige Kleuter). Dit jaar zal mijn (denk ik toch wel) laatste breinboek over het jonge kind uitkomen.

Het gaat heten ‘Jongensbrein, Meisjesbrein’. Met dat boek wil  ik het ‘genderdingetje’ nog eens flink onder de aandacht brengen. Niet in de laatste plaats als een eerbetoon aan die heerlijke speelse, beweeglijke, dromerige en weinig taakgerichte jongetjes in de onderbouw van het onderwijs.

Wat mij betreft is 2016 het jaar van het kleuterjongetje.

Peuteren en Kleuteren

De strijd om de peuters?

begin oktober, 2014, kwam mijn nieuwe boek ‘Peuteren en Kleuteren’ uit. En dat is een boek met een missie:

Kinderopvang en onderwijs komen elkaar steeds meer in samenwerkingsverbanden tegen. Eerst bijvoorbeeld in de Brede School, nu is het IKC helemaal ‘hot’. Vanwege het maatschappelijk belang, het kind belang of gezinsbelang. Maar de ontmoeting is gespannen en de inhoudelijke opbrengst valt soms nogal tegen. Als we niet uitkijken blijkt de ‘doorgaande leerlijn’ te ontaarden in een ‘strijd om de peuters’.

Volgens mij zou er voorafgaand aan de strategische vraagstukken eens goed gekeken moeten worden naar de professionele uitdaging. Want het OOJK aanbod (onderwijs en opvoeding van het jonge kind) is nog erg jong en de wetenschappelijke en theoretische basis nog in ontwikkeling. Als kinderopvang en onderwijs zich samen gaan bezig houden met peuter- en kleuteropvoeding en -onderwijs dan moeten ze die basis samen als de wiedeweerga gaan versterken.

Als voorbeeld geef ik de ‘spelen-of-leren-discussie’. U weet wel: die discussie waarin beurtelings wordt beweerd of bestreden dat peuters niet moeten leren, maar gewoon lekker mogen spelen. Dat kleuters niet getoetst moeten worden. Dat opbrengstgericht werken in de voor- en vroegschoolse periode verboden zou moeten worden dan wel verplicht gesteld zou moeten worden.

Onder die discussies liggen diepgevoelde waarden maar mijns inziens ook mythes en misverstanden. Eén van die misverstanden is dat er in het OOJK aanbod een keuze gemaakt moet worden tussen spelen òf leren.

Ja, in de ogen van volwassen is dat een interessant onderscheid, want wij verstaan onder ‘spelen’: iets wat je doet, als je niks anders te doen hebt. En spelen doe je als het werken of leren klaar is. Dan mag je even spelen in het speelkwartier….

En onze kinderen, die gunnen we echt wel hun speelkwartiertjes, maar we willen ook dat ze goed en veel leren. Want leren, dat brengt je verder. Kinderen gaan toch daarvoor naar school? Peuter- en kleuteronderwijs moet wel leeftijdsconform zijn, maar we moeten niet vergeten dat vroeg onderwijs de opbrengst op latere leeftijd enorm kan bevorderen.

De tegenstanders van ‘leren’ zijn doorgaans niet veel genuanceerder in hun visie. Leren, zeggen zij, is een cognitieve bewerking die niet past bij jonge kinderen: hun hersenen zijn daar nog niet aan toe. Juist het spelen zal hen de ervaringen bieden die ze nodig hebben om naar een volgende fase (de cognitieve?) te brengen. Tot ze aan leren toe zijn.

Zo’n soort van ‘dichotome’ opvatting van ‘spelen versus leren’ dient geen enkel doel en is voor het jonge kind al helemaal geen opsteker. Want waar twee partijen kibbelen staat de ontwikkeling stil. Maar veel belangrijk is het, vind ik, dat de relatief jonge breinwetenschap ons leert dat, van foetus naar volwassenheid, ons brein een spannende ontwikkeling doormaakt waarbij het aldoor anders en beter gaat functioneren. En daardoor leert een jong kind van 3 inderdaad anders dan een kind van vijf. En een kind van acht weer anders dan een puber. Leren is in dat opzicht eigenlijk een continuüm waar opvoeding en onderwijs zich voortdurend op moeten aanpassen.

Termen als ‘spelen’ of ‘leren’ zijn in de volle breedte van dat continuüm niet meer dan losse flodders die de lading niet dekken. Het is mijn overtuiging dat de breinwetenschap ons uitdaagt om oude, maar verassend vaak nog leidende paradigma’s in de ‘spelen-versus-leren-discussie’, te herijken.

Bestel hier het boek ‘Peuteren en Kleuteren’ voor € 19,90 SWP uitgeverij!

onderwijs kleuters

KINDEROPVANG MOET VEEL MEER OPBRENGSTGERICHT GAAN WERKEN!

Het werken met jonge kinderen, bijvoorbeeld in de crèches, peuterspeelzalen en in de eerste groepen van het primair onderwijs is bepaald niet onbelast door waarden en dogma’s. Eén van die belangrijke en gevoelige thema’s is het ‘leren of spelen’ debat. Even kort door de bocht heb je aan de ene kant de opvoedkundige stroming die benadrukt dat spelen erg belangrijk is, dat kinderen vooral door te spélen leren en dat ze niet belast moeten worden met cognitief leren en al helemaal niet met toetsen die de leerresultaten meten.

Aan de andere kant vind je de onderwijskundige benadering die gericht is op een systematische stimulering van de ontwikkeling en -overdracht van kennis, kunde en vaardigheden. En ja, onderdeel van dat ‘systematische’ is, dat men toetst of de leerdoelen worden gehaald. Scholen móeten daar verantwoording over afleggen.

In de kinderopvang vind je in overgrote meerderheid de ‘spelen is leren’ adepten. Het kind leert als het ware door zelf de wereld al spelende te ontdekken.

En, weinig verrassend, in het onderwijs is het ‘aanleren’ een leidende waarde. Als dat door middel van spelen kan, best, maar er moet wel resultaat zijn.

Tegenwoordig, en in toenemende mate, ontmoeten de kinderopvang en het onderwijs elkaar bij de peuters op het schoolplein. En het is een gespannen ontmoeting. Onder andere door de bovengenoemde meningsverschillen. Maar ook doordat ze veel dingen helemaal niet weten van elkaar.

De kinderopvang kan zich bijvoorbeeld eens beter verdiepen in de –inderdaad- bestaande toetscultuur in het onderwijs. Die toetscultuur is onderdeel van een onderwijskundige ontwikkeling waarbij scholen in toenemende mate te maken krijgen met concrete ‘output’ eisen. Het streven naar resultaten is echter niet alleen iets wat de inspectie wil of de minister eist, maar ook een teken van toenemende professionalisering.

Niet in de kinderopvang. Met uitzondering van de op beperkte schaal uitgevoerde NCKO metingen loopt de sector kinderopvang met een grote boog om haar resultaatverantwoording heen, soms met de weerzin tegen toetsen als argument. Iedere aanbieder kan zeggen dat ie goed is, bewijzen hoeft niet. De sector wil gerespecteerd en gewaardeerd worden om haar ‘pedagogische meerwaarde’ maar vraagt tegelijk om dan op haar blauwe ogen geloofd en vertrouwd te worden. Is de kinderopvang bang om met de billen  bloot te gaan? Of is er sprake van een goed onderbouwde keuzen om jonge kinderen ‘hun gang te laten gaan’?

Ik weet door mijn contacten met beide sectoren dat het opbrengstgericht werken een lastig onderwerp is. En dat het moeilijk nuanceren is: zo vinden veel scholen en leerkrachten dat niet het kind moet worden getoetst, maar wèl het resultaat van het didactisch proces en het resultaat van de school. En natuurlijk willen we vooral jonge kinderen niet bloot stellen aan vormen van leren en toetsen die nutteloos, te moeilijk of niet leeftijdsadequaat zijn. Maar ik denk, dat als de kinderopvang en het onderwijs meer gaan samenwerken in het peuter- en kleuteronderwijs, dat ze dan samen moeten optrekken in hun professionalisering en dat ze ook samen verantwoording moeten gaan afleggen over de resultaten. Meten en toetsen dus.

Professionalisering van opvoeding en onderwijs aan het jonge kind: de weg vooruit mag dan niet eenvoudig zijn, de weg terug is afgesloten…