Ik was een doelgroep kind. En velen van mijn leeftijdsgenoten geboren eind jaren 50 begin jaren 60 met mij. Tenminste, als je kijkt naar de doelgroep criteria van nu: gezinssituatie- laag sociaaleconomische status, thuistaal – niet Nederlands en ouders die niet meer dan de lagere school hadden doorlopen.

In mijn kindertijd moest er gewacht worden met de aanschaf van nieuwe schoenen of een nieuwe jas tot de kinderbijslag binnen was. Die kwam met een postwissel en ik mocht als jongste kind dan met mijn moeder mee naar het postkantoor in Kampen om die te incasseren.

Op vakantie gaan bestond niet. Soms maakten we een uitstapje: op de fiets naar de tantes in Wilsum, fijn met de nichtjes spelen. En een enkele keer ging we met van de Brink, de lokale meubelzaak, in hun busje naar bijvoorbeeld een speeltuin. Onderweg werd er ‘opgestoken’. Dan gingen we op een terrasje of -en dat was ongetwijfeld om financiële redenen- met een fles limonade in de berm zitten om wat te drinken.

De taal die thuis gesproken werd was het lokaal dialect. Zelf sprak ik trouwens Nederlands terwijl mijn ouders in dialect tegen mij spraken. Ik heb daar nooit een goede verklaring voor gevonden of het moet zijn geweest omdat de broer boven mij doof was en hij in het ‘doofstommeninstituut’ in Groningen [1]als kleuter Nederlands aangeleerd kreeg. Wellicht nam ik dat Nederlands spreken van hem over?

Dat ik naar de kleuterschool ging weet ik nog goed. Mijn moeder bracht me twee keer en daarna ging ik zelf lopend heen (ik denk zo’n 15 à 20 minuten lopen). Die school heeft veel indruk gemaakt, ik heb er nog haarscherpe herinneringen aan. Goede herinneringen: het spelmateriaal en de lieve juf. Pas later, toen ik me beroepsmatig bezig ging houden met ‘het jonge kind’ ging ik me realiseren dat ik deelgenoot was geweest van een grote revolutie: de eerste fase van kleuteronderwijs!

Hier zie je mij trots poseren voor de schoolfoto. Die foto was overigens volledig geënsceneerd: de juf had een tekening vooraf gemaakt en als kleuters mochten wij beurtelings de kwast er even tegenaan houden. Ik droeg mijn zondagse jurk, door mijn moeder gemaakt.

De ‘grote school’ doorliep ik in twee etappes. Eerst naar de dokter Nawijnschool in Kampen, daar moest ik ‘over de brug’, lopend heen. Die school was somber, donker en de pedagogisch tact bestond uit orde en straf. Ik voegde me daar niet echt makkelijk naar en kreeg dus regelmatig straf. In mijn eerste rapport stond ‘B. praat graag’ en dat was geen compliment. Het klopte trouwens wel. Nog steeds eigenlijk; ik praat graag.

De bovenste drie klassen ging ik naar een net beginnende lagere school in IJsselmuiden. In ‘het oudemannenhuis’ was dat. De opzet was ruim, met grote lokalen en gangen en er was echt modern leermateriaal! Ik kon heel goed meekomen en mocht daarom veel extra klusjes doen en de buitendeur opendoen als er volk aan de bel was.

Ik kan me niet herinneren of er een overweging aan gewijd is, maar ik ging daarna naar de MAVO in ons dorp. Zoals iedereen vermoed ik. De vier jaar die ik daar doorbracht verliepen wisselend. Ik deed wat ik moest doen, denk ik, maar was vooral geïnteresseerd in ‘andere’ activiteiten: de schoolkrant, toneelstukken en muziek. En het taalonderwijs vond ik leuk en daar haalde ik hele goede cijfers voor. De andere vakken gingen moeizamer, en met sommige docenten lag ik veel in de clinch. In het examenjaar zat ik steeds slechter in mijn vel, problemen thuis, veel afgeleid en werd zo waarschijnlijk een voorbeeld van een ‘moeilijke tiener’. Ik heb daar akelige herinneringen aan. In mijn vrije tijd lokte de creativiteit, ik mocht op cursussen en fladderde eigenlijk steeds vaker en steeds verder van thuis.

Met enkele matige cijfers haalde ik mijn diploma.

Daarna wilde ik graag naar de kleuterkweek in Zwolle. Of misschien wilde ik vooral weg. En na 3 maanden kleuterkweek ging ik ook weg. Net-aan 17 jaar met de trein en een koffertje naar het westen waar ik in de psychiatrie ging werken, in opleiding en in de instelling op kamers.

Daarna volgde er een, zoals ik dat daarna ben gaan noemen, ‘muizentrapjes-loopbaan’. Steeds een volgende opleiding, een stap naar een andere of ‘hogere’ baan en dat zo door. Ik ben daarbij enorm geholpen door werkgevers die, in die tijd, veel investeerden in de kwalificaties van de werknemers. Ik kon zo 2 Mbo’s, een hbo-opleiding en ook nog een masters bedrijfskunde-gezondheidszorg doen [2]. Daarna volgden nog veel leerrijke stappen, kreeg ik mijn internationale talen op orde, deed managementtrainingen en bestudeerde alles wat los en vast zat, zodra iets me boeide. Had achtereenvolgens management- en bestuursfuncties, was actief in een wereldwijd netwerk voor ‘early childhood care and education’ en sinds 2007 werkzaam als zelfstandig auteur en adviseur.

Ik was op zoek naar kansen en ik kreeg kansen. Ik kon steeds meer zijn wie ik was.

Waarom is zo’n persoonlijke introductie voor jullie interessant als ik in de kop van dit artikel vertel dat ik het over kansen(on-)gelijkheid wil hebben?

Dat is vanwege de huidige benadering van kansenongelijkheid, in termen van beleid maar in termen van sociale segregatie. Ongelijke kansen worden gezien als risico’s: dat je niet mee kunt komen op school, dat je een ‘achterstand’ krijgt die je beperkt in je verdere leven. Risico’s die voortvloeien uit ‘kansarmoede’ willen we al op jonge of zelfs zeer jonge leeftijd geëlimineerd hebben. Het liefst al vóór dat kinderen naar groep één van de basisschool gaan moet de achterstand zoveel mogelijk worden voorkomen of zijn ingelopen. Waar komt die urgentie en dat ongeduld eigenlijk vandaan?

De Heckman doctrine

We hebben het aan een Nobelprijswinnaar Heckman te danken dat we wereldwijd nu als aanname nemen dat investeren in de ontwikkelkansen van kinderen het beste op jonge leeftijd kan gebeuren. Hij stelde dat iedere dollar die op jonge leeftijd in ontwikkeling en onderwijs werd geïnvesteerd vele malen meer rendeert dan dollars die op latere leeftijd in ontwikkeling en onderwijs werden geïnvesteerd (Heckman 2011).  U herinnert zich zijn werk waarschijnlijk vooral door de ‘Heckmancurve’, een grafiek die aantoont hoe dat met die vroege investeringen precies werkt. Het gaf een enorme impuls aan de groei van en waardering voor jonge-kind educatie.

De eerste duizend dagen

Minstens net zoveel impact had de neurowetenschap. Door een versnelling in die wetenschap, begin van deze eeuw, vooral door nieuwe beeldvormende technieken, groeide het inzicht over hoe essentieel de ontwikkeling van het kinderbrein voor later was. Dat leidde tot sterke lobby’s om daar veel méér aandacht aan te besteden en vooral ook meer in te investeren[3]. De boodschap was vooral afkomstig van de zorg, de voedingssector en het onderwijs. Er was nu immers bewijs dat het belangrijk was!

Deze twee hoofdbewegingen zijn samen een ijzersterk ‘investeringsnarratief’ gaan vormen. En ze zijn dat eigenlijk nog steeds. Terwijl beide ‘boodschappen’ echt flink zijn genuanceerd.

Heckman ging, als een reactie op het investeringsnarratief benadrukken, dat vroeg investeren alleen werkt als het met goed onderwijs wordt opgevolgd. Bovendien zou, vond hij later, de nadruk niet zo sterk moeten liggen op de ‘predispostie, op de ‘eenmalige kans’ om een kind te helpen. In Heckman’s werk staat nu het mechanisme van dynamic complementarity centraal. Investeren in jonge kinderen is, benadrukt hij, geen alternatief voor latere investeringen, maar het is een voorwaarde waaronder latere investeringen effectiever kunnen zijn (Cunha, F. And Heckman, J.J., 2006).

Ook ‘de eerste duizend dagen’ boodschap werd sterk genuanceerd, vooral onder invloed van de neuropsychologie. De ontwikkeling van het jonge kinderbrein verloopt inderdaad heel specifiek, maar de ontwikkeling duurt veel langer en het brein is daarbij erg flexibel (Van de Grift 2024).

Bestel hier ‘Slim Jong Kind’, toegankelijke breintheorie voor jonge kind professionals.

Dat inzicht, van de neuroplasticiteit van het brein ontkent niet zozeer het nut van goede zorg en educatie voor jonge kinderen, maar, net als bij Heckman, is de predispositie-aanname sterk ontkracht (Bruer 1999, Shonkoff 2011).

En daarom vertelde ik u over mijn levensloop. Dat we jonge kinderen een goede opvoed- en speelleeromgeving bieden is belangrijk. Dat we daarmee het gezin en kind kunnen ondersteunen is in het belang van het kind; het is een kinderrecht en we kunnen voor veel kinderen het verschil maken. Maar laten we die denkbeeldige ‘slagboom’ bij de entree van groep 1 weghalen. Laten we zorgen dat ons schoolsysteem meegroeit met wat kinderen kunnen en willen leren, hun hele kinderleven lang.

De huidige druk op de voorschoolse ontwikkeling doet geen recht aan de kansen die alle kinderen horen te krijgen, van peuter tot volwassene.

Laten we kansrijk onderwijs gaan bieden…

[1]De benaming ‘doofstommeninstituut’ werd in de familiekring gebruikt. Het was officieel het Koninklijk Instituut voor Doofstommen H.D. Guyot in Groningen en was zowel een school als internaat.

[2] ‘Stapelaars’ worden wij van onze generatie vaak genoemd.

[3] (lees bijvoorbeeld Years of Promise (1996) en Starting Points (1994) van de Carnegie Corporation of New York).