Zeurende KLOSSERS…

De laatsten van een generatie die het vak van kleuteronderwijs tot in de puntjes beheersten? Of kleuterjuffen die blijven hangen in ‘vroeger toen alles beter was’?

Vroeger, toen de kleuterschool nog bestond

Voordat er een wettelijk kader kwam in Nederland voor het onderwijs aan kleuters, bestond er een ongeregelde praktijk waarbij vooral vanuit charitatieve en veelal kerkelijke instellingen ‘bewaarscholen’ werden ingericht voor jonge kinderen.

De kleuteronderwijswet van 1955 maakte daar een einde aan. Daarin werd de verantwoordelijkheid voor het onderwijs aan kleuters, de kwalificatie en opleiding van kleuterleerkrachten (de KLOS inderdaad) geregeld, maar ook de financiering. Kleuteronderwijs werd daarmee financieel gelijkgesteld met lager openbaar en lager bijzonder onderwijs. Het aantal kleuterscholen groeide daardoor snel en de rijksbijdrage voor het kleuteronderwijs, in 1955 nog 30 miljoen gulden, was in 1963 al opgelopen tot 175 miljoen. Nederland was daarin een voorloper, sterker nog, nog steeds hebben niet alle EU landen voor vierjarigen een gratis schools aanbod terwijl in ons land er ongeveer 95% van de jonge kleuters bereikt wordt in groep 1.

Werd er alleen gespeeld op de kleuterschool?

De wet op het kleuteronderwijs was erg sturend: ze schreef een speel- en werkplan voor alle scholen voor, het onderwijzend personeel moest een akte bezitten – die aanvankelijk nog op de meest uiteenlopende wijzen verworven kon worden – en de schoolgebouwen moesten voldoen aan behoorlijk wat eisen. Wat dit laatste betreft viel er nog veel te doen, want met de huisvesting van het kleuteronderwijs was het anno 1960 nog niet best gesteld.

Hoewel de kleuterscholen een duidelijk eigen kleutergericht aanbod hadden en zich moesten houden aan de bij wet geregelde kwaliteitseisen, stond het vanaf de jaren zeventig ook in toenemende mate onder invloed van algemene ontwikkelingen in het Nederlandse onderwijs. Met name de ontwikkelingen in de ‘kweekscholen’ en de eerste ontwikkelingen van leermaterialen, zoals de methode ‘Operatoir Rekenen’ (introductie in 1969) hadden tot gevolg dat het onderwijs geleidelijk meer klassikaal werd ingericht in de leerkracht de lessen met hele groep kon geven en de vorderingen daarna klassikaal kon overzien (www.onderwijsgeschiedenis.nl). Het lijkt aannemelijk dat het deze veranderingen, met klassikaal onderwijs en doorlopende leerlijnen binnen het lager onderwijs, waren die ook een rol speelden in de ontwikkeling naar een basisschool waarbij het kleuteronderwijs in 1985 haar zelfstandige status verloor.

KLOSsers

Marianne de Valck, oud-KLOSser en inmiddels beroemd publiciste op het gebied van spelen en jonge kinderen schreef in mijn boek ‘De Kleutervriendelijke School’ dit over De KLOS, de Kleuterleidster Opleiding School:

‘De KLOS, ontstaan door de nieuwe wet op het Kleuteronderwijs, was een nieuw en voor veel meisjes een aantrekkelijk toekomstperspectief. Tenminste, als zij door hun ouders in de gelegenheid waren gesteld om de voorbereidende ULO te halen. Na drie jaar werd je geacht dat je een kleuterleidsters A diploma behaalde, dat werd ook wel de vrije kleuterklas genoemd. Na de drie jarige basisopleiding konden studenten de opleiding afsluiten met de eenjarige studie tot B-hoofdakte. Op de opleiding heerste streng klimaat, maar ook een optimistische levendige sfeer. De opleiding paste binnen het tijdsbeeld, want wij werkten aan de toekomst van Nederland.

Studenten kregen weliswaar leerstof die je moest kennen maar ze kregen vooral ook veel taken die zelfstandig moesten worden voorbereid, uitgewerkt en uitgevoerd en die daarna moesten worden afgetekend door een docent.  Het curriculum was veelzijdig en volledig gericht op de ontwikkeling en de behoeften van kleuters. Het doel was om kleuters voor te bereiden op de lagere school, maar er waren geen concrete ‘overgangsdoelen’. De kleuters hadden echt een eigen aanbod, waarvan werd aangenomen dat dat de goede voorbereiding was op de lagere school.

Een afgestudeerde kleuter leerkracht deed examen in alle vakken, van godsdienst en ontwikkelingspsychologie tot didactiek, maar dus ook in kleuterliedjes zingen en blokfluit spelen, bordtekeningen maken en het oranje EHBO boekje moest men uit het hoofd kennen.

Het sterke punt van de ‘kleuterkweek’, de KLOS, was dat het leerkrachten toerustte met kennis, maar vooral ook met enorm sterke handelingsvaardigheden in de omgang met individuele en groepen kleuters. En de kleuterleerkrachten voelden zich bevoorrecht en dat waren ze feitelijk ook in die tijd. Geen wonder dat KLOSsers met zoveel goede herinneringen aan die tijd terugdenken’.

Was het vroeger beter?

Terugdenken aan ‘de kleuterschool’ hangt voor veel mensen samen met het terugdenken aan betere tijden. Maar het is moeilijk te beoordelen hoe goed of slecht het kleuteronderwijs destijds was en in welke zin het nou kwalitatief verschilt van hoe het nu is. Er zijn uit die tijd geen onderzoeksgegevens waarmee we een gefundeerd kwaliteitsoordeel kunnen doen. Wel is duidelijk dat de specifieke status van het kleuteronderwijs verankerd in eigen wettelijke eisen met een eigen theoretische onderbouwing van de inhoud, veel ondersteuning gaf aan het bijzondere karakter van het onderwijs aan kleuters. Dat bleek niet alleen uit het ‘curriculum’, waarbij belangrijke pedagogische ingrediënten zoals het werken met bijvoorbeeld ritme, rijm, muziek en bewegingsleer een belangrijk onderdeel vormden. Maar ook de vorming van leerkrachten en de op de praktijkgerichte onderwijsmethodes gaven een duidelijke richting aan wat goed en wat minder goed of fout was. Dat duidelijke pedagogisch onderbouwde kader verdween in één klap met de invoering van de wet op het basisonderwijs waarmee het onderwijs aan kleuters in feite in een vrije val belandde.

De ‘KLOSsers’ die gewend waren binnen duidelijke professionele kaders als vakvrouwen zelfstandig te werken zijn daarmee veel kwijtgeraakt. Daar waar de sterke kant van het ‘vroegere’ kleuteronderwijs de concrete aanwijzing voor de praktijk was, lijkt de integratie binnen het primair onderwijs juist tot het omgekeerde te hebben geleid. De meest geplaatste toppics op platforms zoals de facebookgroepen voor kleuterleerkrachten zijn de ‘hoe doen jullie dat’- vragen: welke methode gebruiken jullie voor de sociaal emotionele ontwikkeling? Wat doen jullie als de eerste groepers te lang doen over het broodje eten en dan geen tijd meer hebben om buiten te spelen? Passen jullie de ‘hoeken’ aan de aan de leerdoelen? Hoe maak je de overgang naar groep 3 makkelijker? Wat is de beste groepsindeling?

Geen wonder dat een ‘oud-KLOSser’ dat met lede ogen aan ziet.

Na de ‘vrije val’ en decennia van beleidsarmoede in de ‘kleuterbouwen’ zijn er gelukkig tekenen die wijzen op een ‘herstelfase’. Niet terug naar vroeger, maar naar een duurzaam en toekomstbestendig onderwijsaanbod aan kleuters. Die herstelfase kan en mag niet vrijblijvend zijn: er zijn sterke aanwijzingen dat de kwaliteit van ons kleuteronderwijs wisselvallig is en bij gebrek aan sturing eigenlijk door toeval bepaald wordt. Jonge kinderen ‘at risk’ hebben daar het meeste nadeel van.

De status van het onderwijs aan kleuters dient hersteld te worden en daarmee haar specifieke kenmerken en opgaven. Het kleuteronderwijs is gebaat bij een duidelijke wettelijke aansturing, financiering en ondersteuning om haar positie als vroegschools aanbod kwalitatief waar te kunnen maken. Eisen op het gebied van deskundigheid van de leerkrachten, de inrichting van de ruimte, de samenwerking met de ouders en een volwaardige samenwerking met collega leerkrachten, directie en bestuur, moeten de status van het kleuteronderwijs weer naar volwaardig en kwalitatief hoogwaardig niveau tillen.

Het ministerie moet zijn verantwoordelijkheid daar nemen en niet ‘het aan het veld overlaten’ waar het zelf de verantwoordelijkheid voor heeft.





Dit artikel is gebaseerd op mijn boek De Kleutervriendelijk School, uitgekomen in november 2020. Het boek is de weerslag van mijn research naar de staat van het onderwijs aan kleuters.

#DKVS, uitgegeven bij Onderwijs Maak Je Samen is genomineerd voor de verkiezing van het beste onderwijs boek van 2020, door @LBBO.
Je doet mij, maar vooral het onderwijs aan kleuters een groot plezier door op
De Kleutervriendelijke School te stemmen!
 
https://www.lbbo.nl/publicaties/verkiezing-het-onderwijsboek-van-2020
 
Het boek nog niet gelezen? Bestellen kan natuurlijk ook op
https://shop.onderwijsmaakjesamen.nl/de-kleutervriendelijke-school.html

Dat spelen kunnen ze thuis wel…

De hernieuwde aandacht voor de kwaliteit van het onderwijs aan kleuters en het belang van leren door te spelen brengt een interessante discussie op gang. En dat is, of de ouders dat eigenlijk wel zien zitten. Lastige kwestie, begreep ik recent van een groep kleuter leerkrachten waar ik mee werkte. Ouders hebben liever dat hun kinderen met leerproducten aan het werk zijn. Dat spelen, dat kan thuis ook wel.

Jonge kinderen en meer precies kleuters tussen vier en ongeveer zeven jaar, bevinden zich in een heel speciale fase van de breinontwikkeling. En dat verdient binnen het primair onderwijs meer aandacht dan het nu krijgt.

De breinontwikkeling verloopt ongelooflijk snel, zelfs zo snel dat het kleuters in een paar jaar tijd in staat stelt om van impliciet-onbewust leren, de stap te zetten naar expliciet-bewust leren. De leercurve gaat van ervarend leren naar denkend leren. Je zou kunnen zeggen dat een jonge kleuter om die reden dus nog veel niet kan, nog wat beperkt is in het instrumentarium om te leren. Denk aan de concepten zoals ‘theory of mind’ of de gedragsbeheersing en de executieve functies. Het verschil tussen een vierjarige en een zevenjarige is dan enorm groot.

Tegenover deze relatieve beperkingen staat dat ze een enorme interne drive hebben. Van binnenuit gestuurd zullen kleuters uit zichzelf op zoek gaan naar de leerervaringen die ze nodig hebben om hun breinfuncties verder te ontwikkelen. Deze interne drive is vermoedelijk evolutionair verankerd: om te overleven moeten mensenkinderen de ontwikkeling naar zelfstandigheid doormaken. Veel van dit leer- gedrag dat we bij jonge kinderen zien, noemen wij spelen. Kinderen lijken ons er amper bij nodig te hebben, het lijkt niet erg doelgericht maar ze lijken er plezier in te hebben. Dus ‘waarom niet?’.

Zo’n redenatie doet geen recht aan het belang van spelen, maar ook niet in de rol die je als volwassene erbij kunt vervullen. We moeten namelijk de goede condities creëren voor waardevol spel en ons bovenal realiseren dat spelende kinderen keihard aan het leren zijn. Niet gestuurd door onze leerdoelen, maar door hun interne drive.

Ons past bescheidenheid.

Als je met elkaar als groepje ‘like-minded’ professionals bedenkt hoe je deze visie zou willen implementeren, hoe je meer ruimte kunt maken voor de spelende kleuters, dan, op dàt moment komt die vraag dus op: wat gaan de ouders hiervan vinden.

In de maanden dat de kleuters thuis onderwijs kregen is het de leerkrachten opgevallen dat veel ouders erg betrokken waren en -gelukkig maar- veel tijd en energie staken in het begeleiden van de kinderen. En leerkrachten werkten zich een slag in de rondte om zo’n aanbod voor thuis te verzorgen. Ouders en leerkrachten vonden elkaar.

Die betrokkenheid bracht ook nieuwe dingen aan het licht: veel ouders vroegen om ‘meer werkjes’. Hun kleuter bleek vooruit te lopen op de taken en al snel klaar te zijn. Of een kind vond niet genoeg uitdaging in de taken die de leerkracht had opgegeven. Kortom het mocht allemaal best wat meer en wat moeilijker voor deze -hoogstwaarschijnlijk hoogbegaafde- kleuters. Of de leerkracht daar iets voor zou kunnen doen.

Dat jonge kinderen leren door te spelen hoeft niet ter discussie te staan, daar is genoeg evidentie voor. Maar niet iedereen weet het en niet iedereen ziet het.

Sterker nog: je moet het wìllen zien en het moet je worden uitgelegd. Dat je door middel van observatie kunt ontdekken wat de kinderen in hun eentje of met elkaar aan het uitvogelen zijn. Wat de leeropbrengst is van datgene wat ze aan het doen zijn, zonder dat jij je daarmee kennelijk hoeft te bemoeien. Ook zonder dat je stuurt op de effectiviteit, is die effectiviteit er wel degelijk.

Ik schreef in 2020 het boek De Kleutervriendelijke School. Het is een weet-boek: je kunt er de dingen in lezen die je inzicht geven in de staat van ons onderwijs aan kleuters. In een historische en internationale context. En het legt de neurowetenschappelijke achtergrond van kleuter-zijn uit en de manier waarop ze leren.

Het is bedoeld om betrokkenen te activeren. Aan te zetten tot nieuwe gedachten en waar nodig tot aanpassingen in het huidige aanbod. Het boek kwam in november uit en kreeg veel belangstelling. Gelukkig maar, het betekent dat het onderwijs aan kleuters weer leeft en dat moet ook.

#DKVS, uitgegeven bij Onderwijs Maak Je Samen is genomineerd voor de verkiezing van het beste onderwijs boek van 2020, door @LBBO.

Je doet mij, maar vooral het onderwijs aan kleuters een groot plezier door op De Kleutervriendelijke School te stemmen!

Het boek nog niet gelezen? Bestellen kan natuurlijk ook op

https://shop.onderwijsmaakjesamen.nl/de-kleutervriendelijke-school.html

De Nederlandse Vereniging voor Lastige Kleuters

Nevenfuncties moet je bekend maken. Welnu: ik heb ook een bijbaan. Ik ben de zelfbenoemde erevoorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Lastige Kleuters, de NVvLK.

Betsy van de Grift, 1962, Kleuterschool te IJsselmuiden

De Vereniging heeft tot doel om opvoeders, onderwijzers en onderwijskundigen in Nederland (maar eigenlijk ook iedereen daarbuiten) te wijzen op het recht van kleuters om te leren op hun eigen manier.

Kleuters zijn namelijk een beetje buitenbeentjes in het veld van opvoeding en onderwijs. De professionals die daarin werken zijn er nog niet helemaal uit hoe dat nou zit met die kleuters. Moeten ze nou spelen? Of moet hun ontwikkeling planmatig gestimuleerd worden? En dat onrustige gedrag (vooral bij de jongetjes) moet je dat niet juist op die leeftijd gaan afleren? Om nog maar te zwijgen van driftig, teruggetrokken gedrag of een totaal gebrek aan concentratie. En wat moet je met de slimmeriken? De voorlopers waarvan de ouders vermoeden dat ze een hoogbegaafd kindje hebben?

Kleuters maken vanwege hun breinontwikkeling een fase door waarin ze van ervarend leren naar patroonherkenning en denkend leren gaan. De vorderingen die ze maken hangen samen met de razendsnelle ontwikkeling van hun breinfuncties. En dat maakt dat ze al behoorlijk slim overkomen en, zeker de meisjes, praten als jongste kleuter al honderduit. Maar hun zelfbewustzijn, hun (werk-) geheugen en hun vermogen tot redeneren komt eigenlijk wat later pas tot ontwikkeling. Daarbij zijn de tempoverschillen tussen de kinderen enorm groot.

Daarom, vanwege die complexe breinontwikkeling en de tempoverschillen, claimt de NVvLK het recht op tijd en geduld van volwassenen. En een liefdevolle, accepterende en positief stimulerende leeromgeving.

Ik ben trots de erevoorzitter te zijn; ik weet waar het over gaat. Ik was een drukke kleuter en op mijn schoolrapport in de eerste klas stond ‘B. praat graag’…

Jonge kinderen tonen ons hun aard èn hun ondersteuningsvraag. Als we, op onze hurken, kijken naar datgene waar zij naar kijken, dan zien we wat zij zien. Onze oprechte interesse in hun leefwereld maakt dat we de vraag ‘kan ik je ergens mee helpen’ kunnen stellen.

Goed kleuteronderwijs komt tegemoet aan de ondersteuningsbehoefte van kleuters, is doelgericht en doet de goede dingen op de goede manier. In mijn laatste boek ‘De Kleutervriendelijke School’ behandel ik deze en vele andere kwaliteitsaspecten. Want onderwijs aan kleuters is gewoon anders, kent andere kwaliteitsstandaarden en vraagt om andere leerkrachtvaardigheden.

Dit artikel bevat citaten uit mijn nieuwe boek de Kleutervriendelijke School.

Te bestellen via https://shop.onderwijsmaakjesamen.nl/de-kleutervriendelijke-school.html