De kleuterjuf moet terug!

De 0-groep of de voorschool, dat zijn al bijna ingeburgerde begrippen. Sommige politici roepen zelfs om een leerplicht voor peuters. Heeft daarmee het onderwijs claim gelegd op peuteronderwijs?

Peuters naar school… dat zou passen in een patroon, van kinderen die steeds jonger èn tegelijk langer naar school gaan. Even een stukje historie (uit “Peuteren en Kleuteren” BvdG 2014) :

‘De eerste Leerplichtwet in Nederland is aangenomen in 1900. Deze wet verplicht kinderen van 6 tot 8 jaar tot het volgen van onderwijs. Voor sommige kinderen worden uitzonderingen gemaakt, zoals voor boerenkinderen tijdens de oogsttijd. Dochters mogen ook thuisblijven om het gezin te verzorgen.

In de jaren daarna wordt de leerplicht diverse malen uitgebreid, naar 9 jaar, 12 jaar en zelfs naar 18 jaar tegenwoordig. Bovendien is de leerplicht ook meerdere malen vervroegd. Tot 1957 is er geen formele vorm van onderwijs aan jonge kinderen, maar daarna komt de Kleuteronderwijswet die gesubsidieerd onderwijs aan 4- en 5-jarigen mogelijk maakt.

De gloriedagen van de kleuterschool worden gekenmerkt door een eigen onderwijskundige traditie. De vakopleiding voor kleuterjuffen, de KLOS of Kleuterkweek, leidt vrouwen op MBO-niveau op om onderwijs aan kleuters te geven. De ‘body of knowledge’ toentertijd bestond onder andere uit bewegingsonderwijs, blokfluit spelen en liedjes leren, maar ook uit ontwikkelingspsychologie en karakterleer. Maar naast het ontegenzeglijk praktische karakter van de ‘kleuterkweek’ vormden grote denkers als Fröbel, Vygotsky en Montessori een eigen theoretische basis voor het kleuteronderwijs.

Aan het bestaan van de kleuterschool komt een einde als in 1985 de Wet op het basisonderwijs wordt ingevoerd. Daarbij wordt de kleuterschool voor kinderen van 4 en 5 jaar samengevoegd met de lagere school tot de basisschool. Tegelijkertijd wordt het begin van de leerplicht vervroegd. Tot dan toe moesten de kinderen naar school aan het begin van het schooljaar als ze 6 jaar waren, of voor 1 oktober (de peildatum) 6 jaar zouden worden. Vanaf 1986 moeten kinderen naar school vanaf de eerste schooldag van de maand na de maand waarin ze 5 jaar worden. In de praktijk blijkt dat echter meer dan 90% van de 4-jarigen naar groep 1 van de basisschool gaat.’

Hoewel er geen draagvlak is om terug te keren naar het kleuteronderwijs, heeft de tijd ons wel wijzer gemaakt: onderwijs aan jonge kinderen is echt een vak apart. Pabo’s komen daarom tegenwoordig met een speciaal curriculum voor het onderwijs aan het jonge kind. Ook internationaal neemt de belangstelling voor ‘early learning’ toe.

Het primair onderwijs in Nederland zou best wel wat meer vaart kunnen zetten achter deze ontwikkeling. Nog al te vaak maakt het onderwijs de vergissing dat ‘early learning’ gewoon is dat je ‘jonger begint met het school’. Maar educatie aan peuters en kleuters is niet hetzelfde éerder doen, maar eerder iets ànders doen. Bovendien is er een vreemd soort van ‘neerkijken’ op ‘de onderbouw’. Die zou meer iets voor beginnende leerkrachten zijn of voor stagiaires van de pabo (check de discussies op Twitter eens).

Misschien is het tijd om de kleuterschool als zelfstandig instituut weer es afstoffen en er dan meteen maar een peuter- en kleuterschool van maken? En dan meteen de kinderopvang inhaken? 

Interesse in dit (heikele) onderwerp? Geef je dan op voor het debat ‘Strijd om de peuter, 3 oktober ’s middags in Zeist. Je ontvangt dan bovendien mijn boek “Peuteren en Kleuteren; de breintheorie over het leren van het jonge kind”. Die kun je overigens ook hier bestellen.

By the way: op deze foto zie je het aantal ‘KLOSSERS” in een zaal vol mensen van een medilexonderwijs studiedag over kleuters. De Kleuterjuf bestaat dus nog gewoon ;-))

 

De strijd om de peuters?

begin oktober, 2014, kwam mijn nieuwe boek ‘Peuteren en Kleuteren’ uit. En dat is een boek met een missie:

Kinderopvang en onderwijs komen elkaar steeds meer in samenwerkingsverbanden tegen. Eerst bijvoorbeeld in de Brede School, nu is het IKC helemaal ‘hot’. Vanwege het maatschappelijk belang, het kind belang of gezinsbelang. Maar de ontmoeting is gespannen en de inhoudelijke opbrengst valt soms nogal tegen. Als we niet uitkijken blijkt de ‘doorgaande leerlijn’ te ontaarden in een ‘strijd om de peuters’.

Volgens mij zou er voorafgaand aan de strategische vraagstukken eens goed gekeken moeten worden naar de professionele uitdaging. Want het OOJK aanbod (onderwijs en opvoeding van het jonge kind) is nog erg jong en de wetenschappelijke en theoretische basis nog in ontwikkeling. Als kinderopvang en onderwijs zich samen gaan bezig houden met peuter- en kleuteropvoeding en -onderwijs dan moeten ze die basis samen als de wiedeweerga gaan versterken.

Als voorbeeld geef ik de ‘spelen-of-leren-discussie’. U weet wel: die discussie waarin beurtelings wordt beweerd of bestreden dat peuters niet moeten leren, maar gewoon lekker mogen spelen. Dat kleuters niet getoetst moeten worden. Dat opbrengstgericht werken in de voor- en vroegschoolse periode verboden zou moeten worden dan wel verplicht gesteld zou moeten worden.

Onder die discussies liggen diepgevoelde waarden maar mijns inziens ook mythes en misverstanden. Eén van die misverstanden is dat er in het OOJK aanbod een keuze gemaakt moet worden tussen spelen òf leren.

Ja, in de ogen van volwassen is dat een interessant onderscheid, want wij verstaan onder ‘spelen’: iets wat je doet, als je niks anders te doen hebt. En spelen doe je als het werken of leren klaar is. Dan mag je even spelen in het speelkwartier….

En onze kinderen, die gunnen we echt wel hun speelkwartiertjes, maar we willen ook dat ze goed en veel leren. Want leren, dat brengt je verder. Kinderen gaan toch daarvoor naar school? Peuter- en kleuteronderwijs moet wel leeftijdsconform zijn, maar we moeten niet vergeten dat vroeg onderwijs de opbrengst op latere leeftijd enorm kan bevorderen.

De tegenstanders van ‘leren’ zijn doorgaans niet veel genuanceerder in hun visie. Leren, zeggen zij, is een cognitieve bewerking die niet past bij jonge kinderen: hun hersenen zijn daar nog niet aan toe. Juist het spelen zal hen de ervaringen bieden die ze nodig hebben om naar een volgende fase (de cognitieve?) te brengen. Tot ze aan leren toe zijn.

Zo’n soort van ‘dichotome’ opvatting van ‘spelen versus leren’ dient geen enkel doel en is voor het jonge kind al helemaal geen opsteker. Want waar twee partijen kibbelen staat de ontwikkeling stil. Maar veel belangrijk is het, vind ik, dat de relatief jonge breinwetenschap ons leert dat, van foetus naar volwassenheid, ons brein een spannende ontwikkeling doormaakt waarbij het aldoor anders en beter gaat functioneren. En daardoor leert een jong kind van 3 inderdaad anders dan een kind van vijf. En een kind van acht weer anders dan een puber. Leren is in dat opzicht eigenlijk een continuüm waar opvoeding en onderwijs zich voortdurend op moeten aanpassen.

Termen als ‘spelen’ of ‘leren’ zijn in de volle breedte van dat continuüm niet meer dan losse flodders die de lading niet dekken. Het is mijn overtuiging dat de breinwetenschap ons uitdaagt om oude, maar verassend vaak nog leidende paradigma’s in de ‘spelen-versus-leren-discussie’, te herijken.

Bestel hier het boek ‘Peuteren en Kleuteren’ voor € 19,90 SWP uitgeverij!

KINDEROPVANG MOET VEEL MEER OPBRENGSTGERICHT GAAN WERKEN!

Het werken met jonge kinderen, bijvoorbeeld in de crèches, peuterspeelzalen en in de eerste groepen van het primair onderwijs is bepaald niet onbelast door waarden en dogma’s. Eén van die belangrijke en gevoelige thema’s is het ‘leren of spelen’ debat. Even kort door de bocht heb je aan de ene kant de opvoedkundige stroming die benadrukt dat spelen erg belangrijk is, dat kinderen vooral door te spélen leren en dat ze niet belast moeten worden met cognitief leren en al helemaal niet met toetsen die de leerresultaten meten.

Aan de andere kant vind je de onderwijskundige benadering die gericht is op een systematische stimulering van de ontwikkeling en -overdracht van kennis, kunde en vaardigheden. En ja, onderdeel van dat ‘systematische’ is, dat men toetst of de leerdoelen worden gehaald. Scholen móeten daar verantwoording over afleggen.

In de kinderopvang vind je in overgrote meerderheid de ‘spelen is leren’ adepten. Het kind leert als het ware door zelf de wereld al spelende te ontdekken.

En, weinig verrassend, in het onderwijs is het ‘aanleren’ een leidende waarde. Als dat door middel van spelen kan, best, maar er moet wel resultaat zijn.

Tegenwoordig, en in toenemende mate, ontmoeten de kinderopvang en het onderwijs elkaar bij de peuters op het schoolplein. En het is een gespannen ontmoeting. Onder andere door de bovengenoemde meningsverschillen. Maar ook doordat ze veel dingen helemaal niet weten van elkaar.

De kinderopvang kan zich bijvoorbeeld eens beter verdiepen in de –inderdaad- bestaande toetscultuur in het onderwijs. Die toetscultuur is onderdeel van een onderwijskundige ontwikkeling waarbij scholen in toenemende mate te maken krijgen met concrete ‘output’ eisen. Het streven naar resultaten is echter niet alleen iets wat de inspectie wil of de minister eist, maar ook een teken van toenemende professionalisering.

Niet in de kinderopvang. Met uitzondering van de op beperkte schaal uitgevoerde NCKO metingen loopt de sector kinderopvang met een grote boog om haar resultaatverantwoording heen, soms met de weerzin tegen toetsen als argument. Iedere aanbieder kan zeggen dat ie goed is, bewijzen hoeft niet. De sector wil gerespecteerd en gewaardeerd worden om haar ‘pedagogische meerwaarde’ maar vraagt tegelijk om dan op haar blauwe ogen geloofd en vertrouwd te worden. Is de kinderopvang bang om met de billen  bloot te gaan? Of is er sprake van een goed onderbouwde keuzen om jonge kinderen ‘hun gang te laten gaan’?

Ik weet door mijn contacten met beide sectoren dat het opbrengstgericht werken een lastig onderwerp is. En dat het moeilijk nuanceren is: zo vinden veel scholen en leerkrachten dat niet het kind moet worden getoetst, maar wèl het resultaat van het didactisch proces en het resultaat van de school. En natuurlijk willen we vooral jonge kinderen niet bloot stellen aan vormen van leren en toetsen die nutteloos, te moeilijk of niet leeftijdsadequaat zijn. Maar ik denk, dat als de kinderopvang en het onderwijs meer gaan samenwerken in het peuter- en kleuteronderwijs, dat ze dan samen moeten optrekken in hun professionalisering en dat ze ook samen verantwoording moeten gaan afleggen over de resultaten. Meten en toetsen dus.

Professionalisering van opvoeding en onderwijs aan het jonge kind: de weg vooruit mag dan niet eenvoudig zijn, de weg terug is afgesloten…

Leerstoornis? Mijd de professional!

Natuurlijk wil ik niemand, geen ouder, kind, opvoeder of leerkracht tekort doen. Als je op de een of andere manier niet je weg op school kunt vinden op de manier zoals alle andere, gewone, gemiddelde kinderen dat schijnbaar wel kunnen doen, dan is dat terecht reden voor zorg. En er is – ook terecht- veel aandacht voor passende maatregelen: aanpassingen in de leeromgeving, het leerprogramma of in het gedragsarsenaal van de leerkracht.

En ik begrijp ook heel goed het belang van differentiatie. Niet alle kinderen zijn hetzelfde, geen gelijke monniken, gelijke kappen, want als je op het gemiddelde richt, dan laat je de alles daarbuiten niet optimaal bediend achter je.

En ik begrijp ook heel goed de ouders -ik ben er zelf 1 en in de schooljaren van mijn kinderen was ik ook vast niet de makkelijkste- die zich inspannen om voor hun kind een optimaal aanbod te zoeken en indien nodig zelfs af te dwingen, omdat ze denken dat er iets meer of iets anders in hun kind schuilt waar rekening mee gehouden moet worden.

Maar er is een keerzijde die ook de aandacht vraagt, vind ik. We doen er geen goed aan om op de heilloze weg van het problematiseren van kind-gedrag door te gaan zoals we nu, bijna op het ‘hyperige’ af, aan het doen zijn. Ik zie daar drie redenen voor.

De ontwikkeling van kinderen, inclusief hun cognitieve deel, loopt synchroon met de ontwikkeling van hun brein. Het duurt ongeveer tot hun 23e tot dat brein zijn hele potentiëel heeft kunnen realiseren. In tussentijd treden er grote verschillen op, tussen kinderen, maar ook ‘binnen’ kinderen. Een ‘traaggroeier’ laat een tempoverschil zien, maar geen achterstand (Jelle Jolles, 2008).

Het tweede argument is dat verschillen in de cognitieve ontwikkeling worden gemeten ten opzichte van het gemiddelde. Ik hoef toch onderwijzers niet uit te leggen dat ‘het gemiddelde’ een rekenkundige eenheid is, maar daarmee nog niet tot norm verheven kan worden? Fluctuaties ten opzichte van het gemiddelde hoeven niet te duiden op een stoornis, maar worden door de manier van berekenen, weg ‘weggemiddeld’ (Paul van Geert, 2008).

Als derde en van meer recente datum komt er erg belangwekkend breinonderzoek naar buiten over de ontwikkeling van het kinderbrein en stoornissen daarin. Daarin wordt (ook) gewaarschuwd voor het te snel stellen van een diagnose, zolang het brein nog in ontwikkeling is. Bijvoorbeeld stoornissen in de executieve functies, zoals het werkgeheugen of de concentratie, kun je moeilijk gedurende de schoolleeftijd, tot 12 jaar, beoordelen omdat het zo’n ‘late’ functie is. Maar er meer reden tot terughoudendheid. Van steeds meer stoornissen wordt gevonden dat die sterk met elkaar samenhangen, zoals dyslexie en dyscalculie of dat ze een gedeelde onderliggende oorzaak hebben (waarschijnlijk genetisch). Hoe ouder het kind, hoe meer het ‘binnen-breins’ leert, waarbij er complexe samenwerkingsverbanden tussen verschillende breinfuncties tot stand komen. Denken over stoornissen als kleine lokale breinproblemen, negeert die complexiteit.

Gebleken is dat veel kinderen in een vrij vroeg stadium onderzocht worden door specialisten, die vaak de stoornis vinden waar zijzelf voor ‘doorgeleerd’ hebben. Dergelijke specialisten kunnen de grotere verbanden niet zien en kinderen, ouders en professionals worden daardoor onvoldoende geholpen (Petterson, 2013).

DEELTIJDJUF HEEFT HET GEDAAN?

De dag van het onderwijsbestuur was het, 26 mei, waar hoogleraar Onderwijsbestuur aan de universiteit van Tilburg haar essay     “Hoge verwachting, vrije uitvoering, stevige sturing” uitspreekt.

En in dat essay is het gebeurt: er wordt onomwonden aangegeven dat, wil ons onderwijs verbeteren, er ook korte metten gemaakt moet worden met de deeltijdjuf. Ze presteert minder op enkele leerterreinen en de didactische vaardigheden. Hooge verwijst daarvoor naar een rapport van de onderwijsinspectie.

Hooge is bezorgd over het beter maken van het onderwijs en daar is, dat blijkt duidelijk uit haar verhaal, wel noodzaak toe. En dringt ze terecht aan op de drie Grote Verbeteringen waar ze heil van verwacht? Ze wil de beroepsopleiding veel beter maken en bepleit daarvoor een ‘rijksacademie’. Ze wil verder de beroepsstandaard omhoog hebben en voor slechte onderwijzers is er geen plaats meer in de onderwijsstal. Maar dan, dan komt als een duveltje uit een doosje de deeltijdjuf: zij heeft gedaan!

Wat zegt Hooge precies over de deeltijdjuf?

“Ten tweede moet het gegeven dat het personeelsbestand van het basisonderwijs inmiddels voor het overgrote deel bestaat uit vrouwen die in deeltijd werken worden geproblematiseerd. Als vrouwen niet meer dan drie dagen willen werken, betekent dit vaak dat zij het primaat leggen bij (een combinatie van werken en) de zorg voor thuis, in plaats van bij de uitoefening van het beroep van leraar en de continue professionalisering die daarbij hoort. Deeltijdwerkers blijken dan ook niet de beste leraren: zij beheersen algemeen didactische en differentiatievaardigheden gemiddeld minder goed (Inspectie van het Onderwijs, 2014, p. 38).”

De overtuigingskracht die Hooge aan de dag legt in haar essay, schreeuwt om nader onderzoek en ik neem die handschoen op!

Allereerst blijkt de gewraakte passage in het rapport ‘onderwijsverslag 2012-2013’ een ieniemienie stukje te zijn. Je kunt het als screen shot zien boven deze blog.

De onderwijsinspectie tekent in 1 kolom, 8 regels op dat er verschillen zijn gevonden (klasse observaties) tussen leerkrachten en dat die samenhangen met (let nu op!) de beginnende leerkracht, de deeltijdwerkende leerkracht en de oudere leerkracht.

That’s it. En dan weten we nog niet eens of die gevonden verschillen überhaupt van invloed zijn op de onderwijsresultaten ook, trouwens!

In datzelfde rapport meldt de onderwijsinspectie veel meer punten van zorg en wellicht wel veel factoren die veel meer van invloed zijn. Zo scoort Nederland (PISA onderzoek) het hoogst op het percentage onbevoegde leerkrachten voor de klas. En neemt de nascholing en bijscholing van leerkrachten af. Heeft Hooge dat gemist?

Of moeten we de ‘deeltijdjuf’ inderdaad problematiseren, zoals Hooge dat wil?

Uit een grote studie van Driessen (2007), naar de invloed van de feminisering van het onderwijs, blijkt er geen enkel verband te zijn tussen manlijke of vrouwelijke leerkrachten en de onderwijsresultaten van de leerlingen. Aannemelijk lijkt me dat ook al in 2007 de vrouwelijke leerkrachten vaker dan mannen deeltijdwerkten.

En er is dus geen verschil.

Mijn idee: niet doen, dat problematiseren!

Het helpt natuurlijk wel om in 1 dag beroemd en trending te worden, maar het onderwijs lijkt me er niet bij gebaat en de (vrouwelijke) leerkrachten al helemaal niet.

Jongens en Meisjes

Ongeveer een derde deel van mijn opdrachtgevers in het veld van Onderwijs en Opvoeding aan het Jonge Kind vindt het leuk als ik in een presentatie ook inga op de verschillen tussen jongens en meisjes. En ik doe dat graag want het is een enorm interessant onderwerp. Maar er is iets mee aan de hand: de populariteit er van is ongeveer net zo groot als de complexiteit hoog is. Er zijn, sowieso naar sexe- en genderverschillen enorm veel studies gedaan, dus voordatd je daar een beetje de weg in weet ben je wel een paar maanden verder. Bovendien zul je merken dat de wetenschappers elkaar ook nogal eens tegenspreken.

Voor mijn boek ‘HOERA! Het is een jongen/meisje’ heb ik veel onderzoeken en review gelezen en deskundigen gesproken. En dat heeft me nederig gemaakt (wie mij een beetje kent weet dat dat geen standaardreactie is voor mij), hier is echt geen doorkomen aan!

Inmiddels kan ik er best een goed verhaal over vertellen (ref: artikel in JM verschillen, red R. Diekstra, samen met Lauk Woltring), maar begin toch altijd met en paar relativerende opmerkingen: er zijn inderdaad anatomisch, biologisch en gedragsmatige verschillen. Maar hoe jonger het kind, hoe kleiner, statistisch gezien, die verschillen zijn.

De genderverschillen die we populair rondpraten, zoals ‘vrouwen kunnen niet kaartlezen’, zijn waarschijnlijk of misschien waar bij volwassenen, maar kunnen niet zomaar op kinderen geprojecteerd worden. Hun breinontwikkeling heeft nog jaren te gaan; ze zijn nog niet af. En bovendien zouden we er goed aan doen om ze de ruimte te geven dom te worden die ze zouden kunnen zijn. Zonder de projectie van onze ‘Venus en Mars’ vooroordelen.

 

De Nederlandse Vereniging voor Lastige Kleuters

Met groot genoegen ben ik de zelfbenoemde erevoorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Lastige Kleuters, de NVvLK. Dit jaar opgericht (ref: mijn lezing Medilexonderwijs ‘externaliserend probleemgedrag bij kleuters’).

De Vereniging heeft tot doel om opvoeders, onderwijzers en onderwijskundigen in Nederland (maar wie weet ook daarbuiten) te wijzen op het recht van kleuters om te leren op hun eigen manier.

Kleuters zijn namelijk een beetje buitenbeentjes in het veld van opvoeding en onderwijs. De professionals die daarin werken zijn er nog niet helemaal uit hoe dat nou zit met die kleuters. Moeten ze nou spelen? Of moet hun ontwikkeling planmatig gestimuleerd worden? En dat onrustige gedrag (vooral bij de jongetjes) moet je dat niet juist op die leeftijd gaan afleren? Om nog maar te zwijgen van driftig, teruggetrokken gedrag of een totaal gebrek aan concentratie. En wat moet je met de slimmeriken? De voorlopers waarvan de ouders vermoeden dat ze een hoogbegaafd kindje hebben?

Kleuters maken vanwege hun breinontwikkeling een fase door waarin ze van ervarend leren naar patroonherkenning gaan. En dat maakt dat ze al behoorlijk slim overkomen en, zeker de meisjes, praten al honderduit. Maar hun zelfbewustzijn, hun (werk-) geheugen en hun vermogen tot redeneren komt nu pas eigenlijk tot ontwikkeling en de verschillen tussen de kinderen zijn enorm groot.

Daarom claimt de NVvLK het recht op tijd en geduld van volwassenen. En een liefdevolle, accepterende en positief stimulerende leeromgeving.

Ik ben trots de erevoorzitter te zijn; ik weet waar het over gaat.

Belangstelling voor mijn (andere) activiteiten? Check de andere pages of neem meteen contact op, als je blieft.

[contact-form]

LEIDERSCHAP is UIT!

’t Is een beetje voorbarig misschien, maar ik durf het wel.

Te zeggen dat leiderschap al weer uit is. Na een decennium van charismatisch, authentiek en vooral inspirerend leiderschap als dominant paradigma voor leidinggevenden mogen we weer gewoon doen waar we goed in zijn. De baas zijn.

Zoals met alles is er een dwingende slingerbeweging in managementland. Eerst management by walking around (in gedachten zei ik altijd ‘fooling around’), dan balanced scorecard en toen moest het allemaal weer softer, menselijker, meer met draagvlak en ‘distributed leadership’.

En nu, na al dat werken met de menselijke maat en het werken aan reflectieve praktijken, nu gaan we, zeker in de not-for-profit hoek, te maken krijgen met het implementeren van transities. Veranderingen waarbij meer met minder geld gedaan moet worden en waar, daar kun je gif op innemen, niet altijd iedereen blij mee is. Natuurlijk beginnen we weer waar we gebleven waren, met draagvlak-bijeenkomsten die, blijkt uit de literatuur, vaak alleen maar weerstand oogsten. En dan, medio 2015 schat ik, dan hebben organisaties en teams het meest behoefte aan goede managers. Die, ’t liefst met een lichte tred en optimistisch karakter, zorgen voor soepele bedrijfsprocessen, snelle besluitvorming en met Kleine Ego’s.

Want dat hebben we tenminste in de leiderschapscursussen en trainingen dan weer wel,  geleerd: klein ego’s zijn beter.

Succes!

Ik? Provocatief?

Ik heb mijn eerste schoolrapport nog, dat van de 1e klas van de doctor Nawijnschool in Kampen. Geen school waar ik warme herinneringen aan bewaar. Donker, grote lokalen met vooraan rechts, een oliekachel waar de kinderjasjes die ’s ochtends onderweg kletsnat geregend waren, rondom heen gehangen werden. Dat gaf een muffe lucht die ik me nog goed terug voor de geest kan halen. Echt, geen fijne school. De juf van de eerste klas hield er een – waarschijnlijk  zelfs voor die tijd- hardnekkig onderwijskundig principes op na, namelijk dat aandacht en concentratie bij bevel afgedwongen kunnen worden. Niet fijn, dat zei ik al.

Op mijn eerste rapport staan een aantal cijfers voor de vakken waarin les gegeven werd. Geen hoogvlieger die kleine Betsy, gewoon een middenmoter. Maar er is bovenaan de linker bladzijde ook een blokje ‘gedrag’. De juf gaf daar door middel van enkele trefwoorden aan hoe zij het gedrag van de leerlingen beoordeelde in het licht van de schooltaken. Bij mij staat daar: ‘B. praat graag’.

Hoewel ik het niet kan bewijzen, staat voor mij vast dat mijn herinnering aan die periode, dat jaar en misschien zelf die muffige klas met die nare juf, mij heeft gesterkt in wat ik nu ben en in wat ik nu doe.

Nog steeds praat ik graag, heel graag. Voor groepjes, zaaltjes, groepen, zalen. Maar ook aan de keukentafel of bij andere intieme debatten waar je tijdens het praten ook mag eten en gewoon teveel wijn mag drinken. Ik geniet er van als mijn woorden aankomen als beelden. Dat je gewoon kunt zien aan de mensen tegenover je dat iets ‘landt’. Soms zelfs kan ik zien dat ze iets nooit meer gaan vergeten, zoals sommige beelden die ik gebruik bij de presentaties over het kinderbrein.

 

Er zat al jong een kind in mij dat er uit wilde. Ik spreek haar soms nog; niet altijd is ze bereid oogcontact te maken. Maar ze heeft me verder gebracht.

En nooit, nooit laat ik me meer de mond snoeren door een juf met een liniaaltje, hoe dreigend ook in de lucht boven mijn handen gehouden.

Dan weten jullie hoe dat zit, als je me soms een tikkie provocatief vindt.

Groen of fluorescerend geel?

Groene kinderopvang: da’s hot, ín en dat trekt publiek.

Dat was duidelijk te merken op het Kinderopvang Event op 21 mei, met als thema ‘groene kinderopvang’ (een gezamenlijk initiatief van het blad Kinderopvang en Groen Cement).

De hele locatie ademde al iets ‘arti-designerigs’, dus je merkte op de parkeerweide van het oud-industriële complex in Delft al dat hier iets speciaals gaande was. Ook de toeloop (er waren ongeveer 400 kinderopvangmensen/-vrouwen) zou je op de gedachte kunnen brengen dat onze Nederlandse kinderopvang inderdaad groen, dus duurzaam, dus bewust, dus buitenspelen is. Of op z’n minst dat het de innige wens heeft om zo te worden en dus op zoek naar prikkels, tips en toepassingen.

Ik geloof daar niet zo in en daar heb ik drie redenen voor.

Ten eerste is de hele houding van onze samenleving tegenover het spelende kind niet echt aan een opwaartse spiraal bezig, dunkt me. De openbare ruimte laat dat niet toe maar ook het privédomein, met stratenlang omhekte ‘Karwei’ tuinen ademen nou niet echt het avontuurlijke waar kinderen ervarend kunnen spelen, bewegen, ravotten en na vallen weer op kunnen staan. Of dit geschetste beeld moet alleen bij mij in de buurt te vinden zijn?

Ten tweede zie ik in de kinderopvang sector, net als in het onderwijs, een soort van vertrutting van de speelleeromgeving, door een manier van inrichten binnen en buiten die vooral functioneel is, maar niet echt ‘groen’. Jazeker, er staan veel meer dan tien jaar terug prachtige houten buitentoestellen met mooie zonnedoeken erboven. Wilgentenen tentjes. Houtsnipper paadjes en insectenhotels. Maar heeft allemaal iets nepperigs; het is allemaal net iets te gepland om leuk te lijken voor spelende kinderen. Komt, hoor ik van veel kinderopvangaanbieders, omdat de inspectie te streng is.

De derde reden tot scepsis van mijn kant is datgene wat de sector zelf laat zien over de activiteiten met de kinderen, vooral via Twitter en Facebook. Het zal een jaar of twee/drie nu gaande zijn, dat aanbieders aan de wereld laten zien welke leuke dingen ze met de kinderen doen. Voor een Twitter verslaafde als ik levert dat een dagelijks stroom aan fotoberichten op waarin kinderen sporten, verven, voorgelezen worden, buiten op hun fietsjes rondrijden, je kent dat wel.

En ineens, een week of wat geleden, viel het me op. Waarom dragen die kinderen zo vaak van de felgele hesjes? Vooral buiten, maar ook binnen bij het verven, plakken, kliederen en zelfs eten. Ze krijgen van de pedagogisch medewerkers dan fluorescerend gele hesjes aan. Vaak nogal ‘oversized’ ook, wat het nog opvallender maakt. Ik kon de neiging niet onderdrukken om het via Twitter na te vragen: ‘waarom hebben jullie kinderen aldoor van die felgele hesjes aan?’. Antwoord: ‘Omdat we het belangrijk vinden dat de kinderen schoon blijven’ en ‘voor de veiligheid’.

Groene kinderopvang? Was het maar waar.

We hebben nog een lange weg af te leggen van om van fluorescerend geel naar groen te kleuren.